Groep 7-8Beeldend

Op kop

Maak een ruimtelijk beeld van een beker met een gezicht erop.

Hier gaat het over
betekenis

Op kop

De les start met een modern kopje met een gezicht erop. Het kopje wordt vergeleken met Romeinse en Precolumbiaanse bekers met een gezicht erop. Je kijkt naar de vorm van de bekers, de vorm van de gezichten en het kleurgebruik. Je kunt aansluiten bij kerndoel 52: leerlingen leren over kenmerkende aspecten van het tijdvak Grieken en Romeinen. Je kunt ook aansluiten bij kerndoel 56: leerlingen krijgen kennis over en waardering voor aspecten van cultureel erfgoed, in het bijzonder oude (gebruiks)voorwerpen uit het dagelijks leven. 
Hierop ga je letten
vorm

Decoratie/ornament

Doel: de leerling weet dat een decoratie of ornament een ruimtelijke versiering op een voorwerp of gebouw is. 
De leerling kan zelf een decoratie of ornament maken.

Waar moet je op letten?
  • Ornamenten zijn soms onderdeel van een constructie, soms worden ze gebruikt om iets aantrekkelijker te maken of om er iets mee te vertellen. 
  • De vormen voor een ornament komen vaak uit de natuur of het zijn geometrische vormen. 
  • Ornamenten kunnen ook merken of wapens zijn.
Hiermee ga je het doen
werkwijze

Keramiek

Doel: de leerling kan van een bal klei een pot uit ringen maken.
De leerling kan de buitenkant van het potje bewerken door er met gereedschap in te krassen of door er afdrukken in te maken.

Waar moet je op letten?
  • De slierten moeten overal een gelijke dikte hebben: 1,5 cm.
  • Druk de slierten aan maar ga niet knijpen.
  • Pas nadat alle slierten zijn aangebracht, smeer je de ringen aan elkaar. Ook dan mag je niet knijpen.
  • Leg je de ringen recht bovenop elkaar, dan krijg je een rechte pot. Leg je de ringen steeds iets naar buiten verschoven, dan krijg je een wijd uitlopende pot.
Je hebt nodig:
  • fijne chamotte of plasticine (voor een potje heb je per leerling een bal ter grootte van een sinaasappel nodig)
  • onderlegger
  • spatels en prikkers

Wil je de klei na droging afwerken? Dan heb je nodig:
  • plakkaat-, acryl- of waterverf 
  • potje water
  • lyonse kwasten of penselen
  • tissues
  • mengbord (stukje karton)

Toelichting:
  • Fijne chamotte is natuurklei met kleine korreltjes chamotte. De korrel beïnvloedt het droogproces. Wanneer je de klei dun gebruikt, heb je klei met fijne chamotte nodig. Natuurklei laat je langzaam drogen (niet in de zon) en moet daarna in een klei-oven afgebakken worden. 
  • Natuurklei droogt snel uit, ook in een plastic zak of emmer. Maar zolang klei niet is gebakken, kun je het altijd weer zacht maken. Zet de klei dan een tijdje in het water.
  • Je kunt als alternatief ook plasticine gebruiken. Voordeel is dat het in kleuren verkrijgbaar is en zacht blijft totdat je het in een keukenoven afbakt.
Zo kom je op ideeën
onderzoek

Onderzoek het materiaal

Doel: de leerling kan het materiaal op verschillende manieren hanteren. 
De leerling kan nieuwe werkwijzen bedenken die passend zijn bij de verbeelding van het onderwerp.

Waar moet je op letten?
  • Geef leerlingen expliciet de tijd om te experimenteren. 
  • Verbind een concreet doel aan het experimenteren, bijvoorbeeld: probeer het materiaal op 8 verschillende manieren uit. Of in spelvorm: Onderzoek per groepje van 5 binnen 8 tot 10 minuten zoveel mogelijk verschillende werkwijzen. Groepje die de meeste variaties heeft wint.
  • Maak in je feedback steeds een verbinding tussen wat ze hebben uitgeprobeerd en waar dat misschien voor gebruikt kan worden.
  • Laat daarna de leerlingen hun toepassing(en) uit alle mogelijkheden van alle groepen kiezen voor het eindwerkstuk. 
Je hebt nodig:
  • het materiaal van de werkwijze