Groep 5-6Beeldend

Licht uit, spot aan [KBW 26]

Maak een tekening van jouw favoriete boekpersonage dat door een of meerdere schijnwerpers wordt verlicht.

Hier gaat het over
betekenis

Licht uit, spot aan [KBW 26]

Met deze opdracht kun je aansluiten bij kerndoel 1: stimuleren van taalcompetentie, kerndoel 8: leerling ontwikkelt een eigen leesvoorkeur en verkent de waarde van literatuur, kerndoel 34: leerling leert eigen mogelijkheden, kenmerken, gevoelens en voorkeuren kennen en kerndoel 42: leerling weet dat licht afkomstig is van bronnen.
Hier kun je op letten
vorm

Lichtval

De leerling weet wat de begrippen eigen schaduw en slagschaduw betekenen en kan ze aanwijzen in een afbeelding. De leerling kan de ruimtesuggestie in een afbeelding versterken door gebruik te maken van lichtval. 

Waar moet je op letten?
  • Licht komt meestal van een kant.
  • Een voorwerp is lichter aan de kant waar het licht vandaan komt.
  • Een voorwerp is donkerder aan de kant waar het licht niet vandaag komt (eigen schaduw).
  • Een voorwerp kan schaduw veroorzaken op de omgeving (slagschaduw).
Hier ga je het mee maken
werkwijze

Tekenen met houtskool

De leerling kan een tekening maken met houtskool door gebruik te maken van licht en donker. De leerling kan de houtskool laten verlopen van licht naar donker. 

Waar moet je op letten?
  • Zorg voor voldoende oefenpapier zodat de leerlingen kunnen oefenen met het maken van een verloop. 
  • Je kunt verloop maken door steeds harder op het kooltje te drukken, door te vegen en door te gummen.
  • Stimuleer het werken in lagen, bijvoorbeeld: basislaag aanbrengen, donkerder maken, vegen en dan daar weer met details in verder werken.  
  • ruw tekenpapier, A4-A1 formaat
  • houtskool
  • kneedgum
  • haarlak (om het werk te fixeren)

Toelichting:
  • Gebruik ruw tekenpapier zodat het kool sporen achter kan laten.
  • Houtskool is een grof materiaal, het papierformaat mag daardoor wat groter zijn.
Zo kom je op ideeën
onderzoek

Onderzoek het materiaal

De leerling kan het materiaal op verschillende manieren hanteren en kan nieuwe werkwijzen bedenken die passend zijn bij de verbeelding van het onderwerp.

Waar moet je op letten?
  • Geef leerlingen expliciet de tijd om te experimenteren. 
  • Verbind een concreet doel aan het experimenteren, bijvoorbeeld: probeer het materiaal op 8 verschillende manieren uit. Of in spelvorm: Onderzoek individueel of per groepje binnen 10 minuten zoveel mogelijk verschillende werkwijzen. 
  • Maak in je feedback steeds een verbinding tussen wat ze hebben uitgeprobeerd en waar dat misschien voor gebruikt kan worden.
  • Laat daarna de leerlingen hun toepassing(en) uit alle mogelijkheden van alle groepen kiezen voor het eindwerkstuk. 
  • het materiaal van de werkwijze
  • evt. oefenvellen